Jeroen_kemperman_TL-JeroenKemperman-EN

Voorbeelden in sociaal ondernemen – Topic Leader: Jeroen Kemperman

Posted on 10 april 2018

Wat kunnen we leren in sociaal ondernemen van Samuel Sarphati?

Liefdadigheid is niet schaalbaar. Als je de wereld echt wilt verbeteren moet je op zoek naar briljante businessmodellen die zichzelf financieren. Dat soort ondernemingen starten met de drive om de grootste vraagstukken in de maatschappij op te lossen. Hoe kan je geld verdienen door mensen gezonder te maken, de wereld schoner, armoede te bestrijden of het klimaat te redden? Dat zijn niet alleen de uitdagingen van de 21ste eeuw. Het zijn vraagstukken van alle tijden. Een van de meest inspirerende en visionaire voorbeelden van sociale ondernemers die er wat mij betreft ooit geweest zijn, is Samuel Sarphati. Dan hebben we het over de 19e eeuw. Hij is de overtreffende trap in de Amsterdamse traditie van meeslepende plannen om de wereld te veranderen en daar ook koppig aan vasthouden… Tot het succesvol is, of het een briljante mislukking wordt. Sarphati was een armendokter die veranderde in een sociale serie-ondernemer. Als je de gezondheid in Amsterdam wilde verbeteren en de armoede bestrijden moest je in zijn ogen zorgen voor meer werk, betere woningen, schonere straten en betaalbaar eten. Laten we eens een stap terugnemen in de tijd en kijken naar het eerste bedrijf waarmee hij de wereld wilde verbeteren…

In de zomer van 1846 vraagt de Amsterdamse wethouder van Financiën aan Samuel Sarphati een oplossing te vinden voor het afvalprobleem van Amsterdam. Kan hij een plan bedenken om dit afval weg te ruimen en nuttig te gebruiken? In die tijd huurt de gemeente een bedrijf in voor minimale stadsreiniging. De rest wordt aan mensen zelf overgelaten. Afval en poep hopen zich op in de straten en de grachten. Het idee is dat dit afval ook bruikbaar kan zijn als mest. Sarphati wordt gevraagd dat uit te zoeken. Waarom vraagt een wethouder dit aan de 33-jarige Samuel? Sarphati kent de problematiek van de hygiëne in de sloppenwijken van dichtbij als gedreven dokter voor de arme joodse gemeenschap. Daarbij heeft hij zich al vanaf zijn dertiende als leerling apotheker verdiept in chemie. Hij weet dus ook vast wel wat van mest en voedingsstoffen in de grond.

Het idee om afval en poep te gebruiken als mest is oud. Het wordt al eeuwen gedaan op het platteland.  Het was ook al vanaf 1475 gedaan in Amsterdam. Het wordt anno 1846 succesvol en op grotere schaal gedaan in Groningen. Het idee om dit in die tijd ook Amsterdam te gaan doen is onweerstaanbaar voor Samuel. Het sluit aan op allerhande verschillende ambities die hij heeft. Het is een manier om de hygiëne te vergroten, wat belangrijk is voor de volksgezondheid, en daar door het verkopen van afval als mest ook financiering voor te vinden. Daarbij helpt het om meer betaalbaar voedsel te produceren. Daarbij is het veel handwerk om al dat afval op te halen en verspreiden. Dat is dus een bron voor werkgelegenheid in de stad wat helpt armoede te bestrijden.

Sarphati doet op het eerste Landbouwkundig Congres in Juni 1846 meteen als primeur ‘een mededeeling omtrent eene maatschappij, die zich te Amsterdam heeft gevestigd tot bevordering van landontginning in ons vaderland. Derhalve zal dit doel trachten te bereiken door de verspreiding van de met den landbouw in verband staande wetenschappen, ook hoofdzakelijk de Chemie, …, welke de inzameling en bewerking der tot bemesting dienstige stoffen in onze steden kunnen bevorderen.‘

Sarphati pleit natuurlijk bij het ministerie en bij B&W van Amsterdam om de nieuwe concessie voor de vuilnisophaal die in 1847 ingaat, te geven aan een bedrijf die dit gratis gaat doen in ruil voor het recht afval als mest te verkopen. Er is helaas geen bedrijf te vinden die het afval voor niets wil ophalen. Voor Sarphati is dat geen reden het op te geven: hij gaat het gewoon zelf doen! De pers is lyrisch. ‘Nimmer misschien is een plan ontworpen, dat tegelijk zoo weldadig, zoo nuttig en zoo voordelig is’, schrijft het Algemeen Handelsblad.  De onderneming is geen gewone vuilnisophaaldienst. Het is de ‘Maatschappij ter bevordering van Landbouw en Landontginning in Nederland’. Er is minder optimisme dat hier ook veel geld mee te verdienen is. Samuel slaagt er niet in de gewenste 1 miljoen aan kapitaal aan te trekken. Hij komt tot 3 ton, waarbij 1 ton van hemzelf, en 10 aandelen die worden gekocht door koning Willem II om het plan te steunen. Dat moet dan maar genoeg zijn om te starten. De maatschappij heeft vervolgens in haar bestaan commerciële, bestuurlijke en operationele problemen.  Er zijn praktische vraagstukken en bestuurlijk gedoe in de vuilnisophaal. Wie moet wat betalen? Wat is de taakverdeling met de gemeente? Er is ook goed nieuws: De maatschappij slaagt erin een klein jaarlijks rendement te maken voor de aandeelhouders door ook vogelmest te importeren uit Peru. Daarbij wordt Amsterdam schoner én er is werkgelegenheid én dat wordt allemaal ook nog betaald voor de gemeente.

Sarphati heeft de basis gelegd voor de huidige stadsreiniging. De activiteiten worden in 1877 genationaliseerd en vanaf dat moment zelf gedaan door de gemeente. Dat is nooit meer gratis uit de opbrengsten van de recycling.

Is het voorbeeld van Sarphati’s vuilophaaldienst als sociale onderneming nog steeds inspirerend en actueel voor de 21e eeuw? Natuurlijk. Het onderwerp van afval en vervuiling op mondiaal niveau is een groter probleem dan ooit. Als het gaat om gezondheid maar helemaal als het gaat om het milieu en klimaat. Wellicht is het de tijd nu rijp voor een prijsvraag geïnspireerd door Sarphati: Wie gaat de recycling in de 21ste eeuw circulair doen voor het milieu en kostenneutraal in de financiering? Wie wil de recycling concessie voor Amsterdam, Nederland, Europa en de wereld? Wie wil er gratis alle CO2 uitstoot benutten of een mooie plastic soep uit de oceaan halen voor de verkoop?

Wat is de top 10 van andere publieke werken met en door Samuel Sarphati? 

De vuilophaaldienst was slechts één van de sociale ondernemingen van Sarphati. Hij heeft veel meer ondernemingen opgezet die uiteindelijk allemaal moesten bijdragen aan het vergroten van gezondheid en het bestrijden van armoede. Dat zijn nog steeds inspirerende voorbeelden in sociaal ondernemen. Als het gaat om onderwerpen als het betaalbaar maken van goede zorg, woningen en voeding. Maar ook als het gaat om het verzamelen en delen van goede ideeën en vervolgens ook nog om het regelen van de financiering om die ideeën te realiseren.

Algemeen Ziekenfonds Amsterdam – nu opgegaan in het Zilveren Kruis (1847). Tot de trots van ondergetekende als Zilveren Kruis medewerker, was Sarphati één van de 152 artsen die samen in 1847 starten met het Algemeen Ziekenfonds van Amsterdam. Dit fonds moet er dan voor zorgen dat de arbeiders in Amsterdam op basis van een vast abonnementstarief altijd toegang hebben tot goede zorg. Ze krijgen vrije artsenkeuze uit al deze doctoren. Dat is heel anders is dan de kleine verzekeringsfondsen van voor die tijd waar vaak maar één arts voor werkt.

Woningbouwvereniging Salerno (1853). Sarphati is bestuurder en voorzitter van de tweede sociale woningbouwvereniging van Amsterdam met het verlichtingsideaal de lichamelijke en more gezondheid van de arbeidsklasse te vergroten. De hoeveelheid huizen die wordt opgekocht en opgeknapt is beperkt, maar het zijn wel het soort experimenten waar later de woningbouwcorporaties uit voortkomen.

Vereeniging voor Volksvlijt (1852).  De Vereeniging voor de Volksvlijt wordt opgericht met Prins Frederik als beschermheer. Doel is de industrialisatie aan te wakkeren door nieuwe ideeën te verzamelen en verspreiden, samenwerking in nieuwe associaties te stimuleren en advies te geven. Dit is de voedingsbodem voor alle ondernemingen hieronder.

• Paleis voor Volksvlijt (1856).  Het Paleis voor de Volksvlijt moet de fysieke locatie zijn waar de ideeën worden verzameld en tentoongesteld. Een soort fysieke plek voor Ted-talks voor ideeën die het waard zijn om te verspreiden in de negentiende eeuw. Dit geïnspireerd door de wereldtentoonstellingen. De investeerders krijgen net als nu bij kickstarter de mogelijkheid tot dividend in de vorm van toegangskaartjes. Het blijkt moeilijk de exploitatie rond te krijgen. Om de grote locatie te vullen wordt het na de dood van Sarphati vooral een Paleis voor Volksvermaak. Het paleis brand helaas af in 1929.

Brood- en meelfabriek (1857).  De meel- en broodfabriek maakt met machinematige productie brood toegankelijk en betaalbaar tegen de dertig procent lagere prijs van 14 in plaats van 20 cent. Dat wordt gedaan met meer betrouwbare kwaliteit én betere arbeidsomstandigheden. Deze fabriek doorbreekt het monopolie van bakkers en molenaars. De wekelijkse productie voor Amsterdam is al snel 90.000 broden uit 12.000 zakken graan.  Het is een inspiratie voor broodfabrieken in Den Haag (1862), Delft en Leiden (beiden 1866)  en in het buitenland. Het bedrijf blijft succesvol in de 20e eeuw.

• Nationale Hypotheekbank (1861). De Nationale Hypotheekbank is een van de eerste hypotheekbanken in Nederland en moet het kopen van woningen gaan financieren en persoonlijk eigendom stimuleren. De bank is, mede door gerenommeerde internationale Joodse bankiers zoals Bisschoffsheim-Goldschmidt, succesvol en groeit na de dood van Sarphati uit tot een belangrijke speler in deze nieuwe markt.

• Nederlandse Crediet- en Depositobank – NCDB (1863). De Nederlandse Crediet- en Depositobank moet zorgen dat er ook geld is om te investeren in alle nieuwe industrie. Er is tot woede van Sarphati een tekort aan Amsterdamse investeerders. Net als bij een aantal andere bedrijven vindt hij kapitaal in de internationale joodse bancaire wereld. In dit geval in Parijs waar men geïnspireerd wordt door socialistische banken die mensen helpen eigen kapitaalgoederen te financieren om de scheiding tussen kapitaal en arbeid tegen te gaan. De bank wordt na een moeizame start in de crisisjaren rond 1865 groot vanaf 1870… maar wel voor en vanuit Frankrijk.

• Nederlandse Bouw Maatschappij – NBM (1864). De Nederlandse Bouw Maatschappij is de houder van de persoonlijke concessie van een dertigjarige erfpacht die aan Sarphati is gegeven om een gebied van 100 hectaren (!) ten zuiden van de stadsgrenzen van Amsterdam te exploiteren. De ambitie is parken, villa’s, herenhuizen én betaalbare woningen voor de arbeidersklasse te realiseren buiten de zeventiende-eeuwse stadgrenzen maar daar wordt niet genoeg geld voor opgehaald en vervolgens wordt NBM vooral en exploitatiemaatschappij die de grond uitgeeft waar nu de Pijp en een groot deel van Amsterdam Zuid op staan.

• Amstel Hotel Maatschappij (1864). De internationale bezoekers aan Amsterdam, en in het bijzonder het Paleis voor de Volksvlijt, moet worden geherbergd met het bijbehorend allure in het Amstelhotel. Dit is het eerste Amsterdamse hotel met een echt grootstedelijke ambiance. Het is crisistijd op de financiële markten en de plannen worden naar beneden bijgesteld waarna 90% van de beoogde 6 ton wordt opgehaald. Het huidige Amstel hotel is alleen een vleugel van het oorspronkelijk plan. Na een opening in 1866 en verlies in 1867 en 1869 weten gasten het hotel te vinden en dan blijft succesvol en renderend tot nu aan toe.

• Bank voor Suriname (1864). De bank van Suriname krijgt bij de start een 25 jarig octrooi voor alle bankzaken in Suriname. Dit moet helpen om de Surinaamse economie te transformeren. Dat is hard nodig want die economie was gebouwd op plantages en die waren gebouwd op slavenarbeid en dat was eindelijk afgeschaft in 1863 (waarmee Nederland veel later was dan bijvoorbeeld Engeland en Frankrijk). De Surinaamse Bank is conservatief in de leningen en blijft daarmee vooral een nationale systeembank die het geldverkeer organiseert.

Wil jij meedoen met de volgende Partnership Verkiezing en zelf werken aan duurzame innovaties? Meld je aan voor de volgende editie!

Facebooktwitterlinkedin